| Wie was de grootste massamoordenaar? 1. Mao: verantwoordelijk voor 40 miljoen doden 2. Hitler: verantwoordelijk voor 34 miljoen doden 3. Stalin: verantwoordelijk voor 20 miljoen doden Door China's grote roerganger Mao zijn 40 miljoen mensen om het leven gekomen. Alleen deed Mao het niet altijd expres. Door zijn landbouwhervormingen ('De Grote Sprong voorwaarts') zijn 30 miljoen mensen verhongerd; 'slechts' 10 miljoen mensen zijn doelbewust vermoord. Nee, dan Hitler, die heeft 34 miljoen mensen om zeep laten brengen (waaronder 5 tot 6 miljoen joden, de grootste genocide uit de geschiedenis van de mensheid). Alleen zaten onder die 34 miljoen slachtoffers van Hitler rond de 19 miljoen mensen die sneuvelden in het vuur van de Tweede Wereldoorlog. Als je die niet meerekent, is Stalin kampioen volkerenmoordenaar. En hoe zit het met Saddam en Kim Il Sung? Die kunnen (of, zoals in het geval van Saddam, konden) er ook wat van. Zij zijn ieder verantwoordelijk voor meer dan één miljoen doden. Enkele volkerenmoordenaars van het tweede garnituur zijn keizer Hirohito van Japan, Leopold II van België, Lenin en Pol Pot. En met Idi Amin en Benito Mussolini? Die waren wreed, maar hebben geen van allen meer dan één miljoen doden op hun geweten. Hetzelfde geldt voor de Joegoslavische dictator Tito en zijn nazaat, de beruchte Servische-Bosniër Radovan Karadzic. Ook geestverwanten zoals Soeharto, Franco en Ataturk komen niet uit boven één miljoen doden. |
| Wie is Johannes Houwink ten Cate? 'Ik ben advocaat van de duivel' Wat bezielt iemand om dagelijks de Holocaust en andere volkerenmoorden te bestuderen? Tenslotte zijn dit onderwerpen die menig historicus uit afgrijzen liever laat voor wat ze zijn. Wat trekt Johannes Houwink ten Cate dan zo? Vanwaar die fascinatie voor 'een van de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis', zoals hij de jodenvervolging typeert? "Ik speel graag advocaat van de duivel", zegt hij. "Ik kom op voor de zondebokken van de geschiedenis - mensen van wie ten onrechte wordt verwacht dat ze grote politieke rampen zoals de jodenvervolging hadden kunnen voorkomen." Een 'flamboyante publicist'. Een 'ervaren mediabespeler'. Zo wordt Johannes Houwink ten Cate getypeerd in het laatste overzicht van spraakmakende Nederlandse historici van het populaire Historisch Nieuwsblad. Houwink ten Cate kwam binnen op nummer 19, vlak onder prins Willem-Alexander en op ruime afstand van Hans Blom, de directeur van het NIOD die bij het grote publiek bekendheid verwierf met zijn dikke Srebrenica-rapport. "Onzin, maar vermakelijke onzin", reageert Houwink ten Cate op de lijst. "Dat Blom op de eerste plaats zou eindigen had iedereen wel verwacht. En Willem-Alexander heeft inderdaad geschiedenis gestudeerd, dat kan niet worden ontkend. Maar ik? Ik ben gewoon een ambtenaar die wel eens een recensie schrijft." En dan niet eens kritische recensies, want: "Ik schrijf alleen over boeken die ik zelf goed vind." Johannes Houwink ten Cate werd in 1956 geboren als oudste van drie kinderen in een intellectueel gezin. Dat hij evenals zijn broer en zus 'wat' met letteren zou gaan doen, lag voor de hand: zijn vader was een wetenschapper op het gebied van de oude talen, zijn moeder was journalist. Hij groeide op in Amsterdam, waar hij op het Barlaeus-gymasium eindexamen deed. Dezelfde school waar de beroemde historicus Jacques Presser ooit les had gegeven, de auteur van Ondergang, het eerste wetenschappelijke werk over de Holocaust in Nederland. Toen Houwink ten Cate op het Barlaeus zat, was Presser er niet meer. Maar 'op een bepaalde manier was hij nog wel aanwezig': "Er werd veel over hem gesproken; er waren Presser-verhalen en Presser-anekdotes. En er was er een documentaire over Presser. Als je een jaar of zestien bent, wil je zo'n film best een keertje zien. Maar deze film werd jaarlijks vertoond, zeker drie jaar op rij. Ik werd 'Presser-moe' en 'Presser-ziek en ik wilde 'Presser-vrij' zijn." Waarom bent u dan toch Geschiedenis gaan studeren? En dan nog wel in Utrecht? "Ik had een hele leuke geschiedenisleraar: Douwe de Boer, de vader van toneelschrijver Lodewijk de Boer, een man die geweldig verhalen kon vertellen. Hij heeft mijn enthousiasme voor de geschiedenis gewekt. En ik wilde naar Utrecht, omdat ik bij H.W. von der Dunk wilde studeren." Een gelukkige keuze, zo bleek. In Von der Dunk vond Houwink ten Cate een leermeester, die hem keer op keer interessante onderwerpen aandroeg. Zoals de verwevenheid van de buitenlandse politiek met het zakenleven in het vooroorlogse Nederland. Houwink ten Cate zou hierop in 1985 afstuderen en later op promoveren met zijn dissertatie 'De mannen van de Daad en Duitsland, 1919-1939'. Hierin pleit hij voor een herwaardering van de vooroorlogs premier Hendrik Colijn. Veel eerdere historici zagen in Colijn een slappeling, die te weinig had gedaan om Nederland te beschermen tegen een Duitse inval. Houwink ten Cate is het niet met hen eens. Hij keert zich bijvoorbeeld tegen Loe de Jong, die zo ver gaat om de schuld voor het uitbreken van de oorlog toe te schrijven aan de passieve houding van Colijn. Want, zo schrijft Houwink ten Cate: "Allereerst was Colijn veel minder passief dan wordt aangenomen. Vanaf 1936, drie jaar voordat Hitler tot de aanval besloot, bereidde hij het land voor op de volgens hem onvermijdelijke oorlog, die bij gebrek aan geallieerde steun ongetwijfeld verloren zou gaan. Maar de publieke opinie wilde daar niets van weten. Daardoor bleef hem niets anders over dan in het openbaar te voorspellen dat die oorlog niet zou komen. Er is een dubbele bodem: de Britten geloofden dat Duitsland geloofde dat er een geheime overeenkomst was en dat die Hitler van een aanval zou weerhouden. Hitler ging daar inderdaad van uit, maar geloofde dat de steun door zijn Blitzkrieg te laat zou komen. Dat het kunstje mislukte is niet de schuld van Colijn. Niemand had het er onder de gegeven omstandigheden beter van af kunnen brengen." Houwink ten Cate promoveerde pas op zijn 39e, in 1995. Dat kwam vooral doordat hij veel tijd stak in publicaties over de jodenvervolging. Zoals een studie waarin hij de beschuldiging van mensen als Jacques Presser bestrijdt dat de voorzitters van de Joodse Raad hun eigen hachje wilden redden en rijke en ontwikkelde joden hadden bevoordeeld boven de arme joden 'met het sinaasappelkarretje.' In een interview verklaarde Houwink Ten Cate: "Volgens mij heeft de Joodse Raad mensen beschermd die op een bepaalde manier een rol hebben gespeeld in het joodse openbare leven. Dat was ook de verpleegster, de doodgraver, de kok uit de ouweliedeninrichting. De opdracht die ik mezelf stel, is uit te leggen dat joodse collaboratie niet bestaat. Laakbare collaboratie veronderstelt opzet, dat mensen willens en wetens de Duitsers hielpen. De Joodse Raad heeft niet de Duitsers willen helpen. Ze heeft andere joden willen helpen'." Een onderwerp dat hem - alweer - was aangeraden door Von der Dunk. Een onderwerp ook waarin hij na al die jaren zijn 'Presser-moeheid' en 'Presser-ziekte' van zich kon afschrijven. En een onderwerp dat veel meer zijn passie had dan de diplomatieke geschiedenis waar hij zich in zijn proefschrift mee had beziggehouden. En vanwaar die passie voor de Holocaust? Is dat niet juist een onderwerp om zo ver mogelijk vandaan te blijven?! Er zijn ook zaken waar ik zover mogelijk vandaan blijf. Ik heb nog nooit geschreven over wat zich in de concentratiekampen heeft afgespeeld en het zou me erg verbazen als ik dat ooit nog eens zal doen. Ik kan er over schrijven tot het moment dat de trein met gedeporteerden bij Nieuweschans de grens overgaat... Mijn interesse in de Holocaust hangt samen met een fascinatie voor het verschijnsel zondebok. Als historicus ben ik 'advocaat van de duivel' - of ik nu Colijn verdedig of het presidium van de Joodse Raad. Als er iets misgaat, dan denken de slachtoffers en de tijdgenoten al gauw dat er mensen zijn die gefaald hebben. Mensen van wie men ze heil verwachten, maar die dit niet gebracht hebben. Ik verzet me daartegen en laat zien dat die mensen zijn van vlees en bloed, met hele beperkte mogelijkheden. Ik leg geduldig uit dat je niet van hen mag verwachten dat ze grote politieke rampen zoals de inval in mei 1940 of de jodenvervolging kunnen afwenden. Als het om zijn publicaties over de jodenvervolging gaat, wijkt de visie van Houwink ten Cate weinig af van die van zijn generatiegenoten onder de gezaghebbende geschiedschrijvers. De eerste generatie was veelal joods, was sterk verbonden met het lot van iedereen die in de concentratiekampen was omgekomen en had de neiging om de uitvoering van de massamoord op de joden te beschouwen als - zoals Houwink ten Cate het in een recent interview uitdrukt - een soort Manhattanproject, de ontwikkeling van de atoombom. "Met een aanwijsbare groep daders, stuk voor stuk verschrikkelijk slechte sadisten." In Nederland zijn Presser en De Jong de bekendste vertegenwoordigers van de eerste geschiedschrijvers die zich bezighielden met de Holocaust. Latere generaties zien de shoah niet als de uitkomst van een demonisch plan, aldus Houwink ten Cate. Eerder als een soort Tsjernobyl: dat het ooit mis zou gaan, zat ingebakken in het systeem, in de Nazi-maatschappij. De kring van daders is veel groter, moeilijker af te bakenen en veel menselijker dan de eerste generatie ooit voor mogelijk had gehouden. "Eigentijdse historici willen zich ook aan de daders spiegelen en benadrukken daarom hun normaliteit." Zo ook Houwink ten Cate zelf, bijvoorbeeld in zijn oratie 'De naam van de misdaad en de persoon van de schrijftafelmoordenaar' waarmee hij vorig jaar hoogleraar Holocaust en Genocide Studies werd. Hierin betoogt hij dat de verantwoordelijken voor Holocaust niet uitsluitend sadisten en psychopaten waren, maar juist ook 'schrijftafelmoordenaars': hoger opgeleiden, juristen, politieke wetenschappers en geesteswetenschappers zonder antisemitische haatgevoelens. Waar het werk van Presser en De Jong grotendeels draait om de vraag wie goed was en wie fout in de oorlog, is het werk van latere generaties veel beschrijvender en verklarender van aard. Met de nummer één op de Nederlandse hitlijst van historici, Hans Blom, als bekendste vertegenwoordiger. In het werk van de huidige NIOD-directeur over de jodenvervolging staan vragen centraal als: hoe kan het dat in Nederland in verhouding tot andere landen zo veel joden zijn gedeporteerd? Dit komt volgens Blom vooral doordat Nederland zo'n geolied ambtelijk apparaat had, dat de bezetter doelmatig kon inzetten om joden te vervolgen. De goed/fout-vraag is voor hem van ondergeschikt belang. Ook Houwink ten Cate behoort tot dezelfde school van beschrijvende en verklarende historici als zijn directe baas Hans Blom. Met een belangrijk verschil. Waar Blom (overigens ook in het Srebrenica-rapport!) voorzichtig is een moreel oordeel te vellen over de spelers op het historische toneel, heeft Houwink ten Cate hier geen enkele moeite mee. Eerder het tegendeel: "Iedere historicus is net zo'n product van de tijd waarin hij leeft als iedereen. Iedere tijd heeft zijn eigen normen en waarden, en dat vind je terug in de geschiedschrijving. Ook in het werk van Blom. Zo noemt hij de ambtenaren die aan de deportatie van de joden hebben meegewerkt 'passief' - dat is toch bepaald geen compliment!? Blom vindt het niet prettig als ik hem wijs op de waardeoordelen die hij velt. Ik vind daarentegen dat een historicus zich rekenschap moet geven van zijn subjectiviteit en eerlijk mag uitkomen voor zijn meningen." Dit blijkt keer op keer. De ene keer neemt Houwink ten Cate het als 'advocaat van de duivel' op voor de zondebokken van de geschiedenis. De andere keer veroordeelt hij de grootheidswaanzin van de Hitlers, de Stalins en al die andere massamoordenaars: "Die pleit ik allerminst vrij; dat zijn de ware 'schurken' van de geschiedenis." |